Stuur een e-mail

Vocaal Ensemble Intermezzo

 

Hoofdpagina Vocaal Ensemble IntermezzoGeschiedenisConcert AgendaHoogtepunten en RecensiesEen keuze uit het Repertoire
Lidmaatschap en AanmeldingGeluidsfragmenten Live ConcertenNieuws en MededelingenVerhalenLinks naar andere Sites


Tomás Luis de Victoria

Victoria was the greatest spanish polyphonist of all times, and probably one of the best of his time in Europe. He was born in Avila around 1548, as the seventh child of Francisca Suarez de la Concha and Francisco Luis de Victoria. Although they would still have four more children, Francisco Luis de Victoria was to die when the composer was only nine years old. Around a year later he became chorister in the cathedral of Avila, where he would stay until the age of eighteen. He started here with his studies of the theory of plainsong, counterpoint and composition, and also practiced playing the keyboard. During these years he studied under the supervision of the masters Jeronimo de Espinar, Bernardino de Ribera, Juan Navarro and Hernando de Isasi. Some specialists think he may also have met Antonio de Cabezon during this time.

Once he ended his time as chorister, Victoria was sent in 1567 to the Colegium Germanicum of the Jesuit Order in Rome. He possibly studied under the supervision of Palestrina, who was chapel master and instructor of Chant and Music of the nearby Roman Seminary, (where he also met Palestrina's sons, Rodolfo and Angel). In January 1569, he left the Collegium Germanicum and, while continuing his studies, became organist and singer in the spanish chapel of Santa Maria de Monserrat, the official place of worship of the crown of Aragon in Rome. In 1571 he returned to the Collegium Germanicum where he was appointed as teacher. In this year, he also succeeded Palestrina as chapel master of the Roman Seminar, (according to Casimiri, it was Palestrina who proposed him).

In 1572, he published his first book of motets Motecta quae 4, 5, 6, 8 vocibus concinuntur in Venice. It was dedicated to the Cardinal-Archbishop of Augsburg, Otto von Truchsess von Waldburg, who was Victorias' greatest supporter and maecenas. In 1573 he started singing, at least occasionally, in a different spanish church in Rome (the parroquia de Santiago). There he was paid according to the amount of music he composed, and the number or singers performing with him on accasions like the Corpus Christi and other major offices. In 1575 the Collegium Germanicum was moved to San Apolinar by order of pope Gregor XIII. Victoria was promoted to chapel master of this center, and thereby acquired new obligations: he was in charge of the musical education of the choirboys, he taught the most capable students in counterpoint and the elements of composition, and in general he supervised all music in all churches linked to the Collegium Germanicum. All these new tasks forced him to resign his position at the church of Santa Maria de Monserrat. The same year he took minor orders, (lector and exorcist), and he was ordained as priest on August 28th in the church of Santo Tomas de los Ingleses. During the following year (1576) he published his second anthology: Liber Primus qui Missas, Psalmos, Magnificat ... aliaque complectitur.

In 1578 he left the Collegium Germanicum and retired as chaplain in San Girolamo della Carita. However, Victoria enjoyed returning to his former institution, for example during the Epiphany of 1585. In his new position, Victoria lived for seven years with San Felipe Neri and went through a period of deep and intense religiousness. He also shared the company of two major musicians, the spanish Francisco Soto de Langa and the italian Giovanni Animuccia. During these years, several collections of masses and motets appeared. In 1581 two new anthologies of his work were published, (containing the Hymmi totius anni). In 1583 one more anthology appears, which is completed by two more in 1585. One of these last two, Motecta festorum totius anni, included two pieces by Guerrero and one piece by Soriano. Encina states, in a few epigrams added to this anthology, that Victoria was known "even in the Indies". His works were published in many different places, including Italy, Germany and Spain. In 1585, Victoria's most ambitious masterpiece saw the light: the Officium hebdomadae Santae, a collection including 18 responses, 9 lamentations, two Passion chorals, a miserere, improperia (reproaches), motets, hyms and psalms for the complete celebration of the catholic Easter.

In 1587, Victoria returned to Spain, although he visited Rome again in 1592 in order to supervise the publation of his Missae liber secundus. Two years later he also attended the funerals for Palestrina, and in 1595 finally returned to Spain. From 1587 till 1603, Victoria was chaplain and Choir master of the Real Convento de las Clarisas Descalzas in Madrid, where the empress Maria had retired. During this period, he received offers from the most important cathedrals in Spain, such as the cathedral of Seville or the Seo cathedral in Zaragoza, but Victoria declined all of these. In Madrid he continued publishing his work, selling several books of motets and masses to churches and cathedrals. A curious point worth mentioning occurred in a contract of Victoria with a printer in Madrid. It stipulated that apart from the normal printing of 200, the printer could produce 100 more which could be sold after some agreed date, and for which the composer would receive 2500 reales. In 1603 he composed the six-part Officium defunctorum, written for the funeral of Empress Maria, which was eventually published in Madrid in 1605. This published version contained a special dedication to princess Margarita. From 1604 on he stayed at the Real Convento de las Clarisas Descalzas as a mere organist, and died there, in almost complete oblivion, on August 27th of 1611.

www.tomasluisdevictoria.org


In Memoriam Jan Pasveer 1933-2005


Jurriaan Andriessen (1925-1996)

Jurriaan Andriessen werd op 15 november 1925 te Haarlem geboren en overleed op 23 augustus 1996 in Den Haag. 

Hij kreeg zijn eerste opleiding van Job Wilderbeek en studeerde aan het Utrechts Conservatorium: compositie bij zijn vader Hendrik Andriessen en orkestdirectie bij Willem van Otterloo. Na zijn eindexamen in 1947 zette hij zijn studies voort in Parijs, waar hij onder andere lessen volgde bij Olivier Messiaen.

Van 1949 tot 1951 werkte Andriessen in de Verenigde Staten, daartoe in staat gesteld door de UNESCO en later door de Rockefeller Foundation. Daar maakte hij het Berkshire Music Festival mee, schreef in opdracht van Serge Koussevitsky de Tanglewood overture en componeerde in opdracht van de Nederlandse regering zijn Berkshire symphonies. Dit werk werd tijdens het Holland Festival 1950 door het Residentie Orkest onder leiding van Willem van Otterloo voor het eerst uitgevoerd. Bovendien ontstonden in Amerika zijn Fluitconcert, het Magnificat en de Mars van het Nederlands Rode Kruis. Het ballet Jones beach werd, in de choreografie van Balanchine en Robbins, door het New York City Ballet opgevoerd in Amerika en Europa. Na zijn terugkeer in Europa maakte Andriessen studiereizen naar Italië en Duitsland (in Milaan componeerde hij het ballet Das Goldfischglas). 

Terug in Nederland ontplooide Andriessen zich als een veelzijdig componist. Naast orkest- en kamermuziek componeerde hij muziek voor toneel, film, radio en later ook voor televisie. In zijn toneelmuziek voor De storm van Shakespeare gebruikte hij voor het eerst elektronische muziek (1953). Andriessen ontving vele opdrachten voor werken voor speciale gelegenheden: o.a. Inno della technica voor de opening van de Technische Hogeschool in Eindhoven (1957), Thai, voor het bezoek van de Thaise Koning (1960), Respiration suite, voor een longartsencongres in 1962, Aves, ter gelegenheid van het 18e congres van Jeugd en Muziek (1963), Het zwarte blondje, een opera buffa voor de Stichting Het Schoolconcert (1964), Entrata festiva, ter gelegenheid van het huwelijk van Prinses Beatrix (1966), Een Prince van Orangien, ter gelegenheid van het regeringsjubileum van Koningin Juliana (1973), Midwinter song voor 4 midwinterhoorns en orkest voor het tweede lustrum van de Technische Hogeschool in Enschede en Entrata della regina, ter gelegenheid van de kroning van Koningin Beatrix (1980).In 1992 kreeg hij een opdracht van de Stichting Beeldverhaal Nederland tot het schrijven van een compositie voor de Stripdagen Haarlem. Zijn Quattro movimenti voor viool en piano (1992) was het verplichte werk tijdens de Iordens Viooldagen 1994. In opdracht van de NCRV schreef hij Antifoon, voor orgel en harmonieorkest dat in maart 1994 in première ging. 

In 1957 kwam Andriessen bij de Haagse Comedie als componist/muzikaal adviseur. Zijn laatste belangrijke toneelmuziek werd geschreven bij Hamlet (1983), voor synthesizers en bij Romeo en Julia (1984) voor koor (met countertenor).

Naast zijn werkzaamheden als componist trad Andriessen op als dirigent (meestal van eigen werken) en regisseerde hij voor de televisie onder meer concertuitvoeringen en balletten. De symfonie Time Spirit (1970) is een muziektheaterwerk voor klarinet, orkest, popmusici, ballet en diaprojectie van werken van de graficus M.C. Escher (uitgezonden door NCRV televisie). Bovendien was Andriessen bijzonder geïnteresseerd in de integratie van de computer in het componeerproces en het gebruik van de computer als tekstprocessor, speciaal voor teksten in samenhang met de muziek.

Voor Het Wonderlijk Uur (t.g.v. het regeringsjubileum van Koningin Wilhelmina) kreeg hij in 1948 de eerste Johan Wagenaarprijs. In 1960 werd hij benoemd tot Ridder in de Orde van de Witte Olifant (Thailand). In 1972 werd hij benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje Nassau, voor zijn verdiensten op het gebied van de theatermuziek.
(Bron: MuziekGroep Nederland, 2004)

Compact discs
- The asseult
(de Aanslag), filmmuziek (Silta Screen 1527-2)
- Berkshire Symphonies, Concerto per flauto e orchestra, Concerto voor piano en orkest (NM Classics 92091)
- Due canzoni di Chisciotte (Mirasound 39.9029)
- Concertino voor fagot en blaasensemble (BFO 1990 1013, Chandos 9278)
- Concerto grosso voor saxofoonkwartet en blaasorkest (Truemedia Records D 94127)
- Divini banquet (Erasmus 238)
- Dynamic overture (Molenaar MBCD 31.1018.72)
- Vier gedichten van Revius (Etcetera KTC 1212)
- Overture for an imaginary play (Molenaar Edition BV MBCD 31.1046.72)
- Respiration suite (STH-CD 19053)
- Sciarada spagnuola (MES 20998, Philips 420282-2)
- Sinfonia Il Fiume (KOC CD 3564)
- Sonnet nr. 43 (NM Classics 92065)
- Suite Dorp aan de rivier, filmmuziek (SCCD 001)
- Symphonia piccola (Q Disc 97022)
bron: Donemus

 
Filmmuziek:
Aanslag, De
(1986)
... aka The Assault (Canada: English title) (USA)
"Sanne" (1983) TV Series
Alleen (1982)
Flanagan (1975)
... aka Flanagan (USA)
Dans van de reiger, De (1966)
... aka The Dance of the Heron
Als twee druppels water (1963)
... aka Donkere Kamer van Damocles, De
... aka Like Two Drops of Water (Europe: English title: literal title)
... aka The Spitting Image
Dorp aan de rivier (1958)
... aka Doctor in the Village
... aka Village on the River
 

Herinneringen aan Jaap Spigt

Het eerste koor waar ik lid van was, het Zaans Bachkoor, zocht begin 70-er jaren een nieuwe dirigent. Ik was destijds secretaris en we hadden het geluk dat één van de mede-bestuursleden, Maartje Zwart, (haar man was pastoor van de Oud-Katholieke kerk waar we nu repeteren) tijdens een vergadering de naam van haar geloofsgenoot Jaap Spigt noemde. Op een zondag gingen we naar zijn flat aan het eind van de Amsterdamse Wibautstraat om kennis te maken. Hij serveerde koffie en veel koek, vertelde over zijn (West)zaanse oorsprong en al gauw bleek ons dat we onze handen mochten dichtknijpen als hij zich inderdaad voor ons koor wilde inzetten. Hij was een drukbezet en bekend klavecinist met een concertpraktijk en daarnaast verbonden aan de conservatoria van Tilburg en Amsterdam. Het leek hem een uitstekende gedachte om zijn opvattingen over de nieuwe uitvoeringspraktijk van barokmuziek met een koor in praktijk te brengen. Dat we slechts een gering honorarium konden betalen was absoluut geen probleem. En zo kregen we als redelijk goed, maar niet fantastisch amateur-koor een bekende klavecinist als dirigent, die elke dinsdagavond naar Zaandam treinde, waar we in de Vrijmetselaarsloge aan de Stationsstraat repeteerden.

We kwamen al gauw onder indruk en invloed van zijn enthousiasme en het koor begon aanmerkelijk beter te presteren. We voerden veelvuldig o.a. de Johannes Passion en het Weihnachts Oratorium uit en ook een keer de Hohe Messe. Door zijn positie in de muziekwereld konden we vaak uitstekende solisten contracteren en zijn zus Coby speelde de clavecimbelpartij. Inmiddels was Jaap verhuisd naar een schitterend grachtenpand aan de Prinsengracht, genaamd het Schwarzehuis (naar Therèse Schwarze, één van de Amsterdamse Joffers, een groep van 8 schilderessen die op de doorlopende zolders van twee grachtenpanden een gezamenlijk atelier hadden). Spigt liet zijn instrumenten in dit voormalig atelier plaatsen en er ontstond zo een intieme concertzaal. Soms hadden we in deze fraaie omgeving extra repetities en kleine concerten. De tekst was voor hem het uitgangspunt van de muziek die wij zongen en hij verklaarde op basis daarvan de uitvoeringspraktijk. Bij barokmuziek refereerde hij ook vaak aan de dansen (courante, gavotte, sarabande enz.) uit die tijd. Hij demonstreerde dan die passen om de accenten op de noten duidelijk aan te geven. Dit veroorzaakte tijdens de repetities regelmatig hilarische lachbuien en er waren wel eens leden die zich hoofdschuddend afvroegen of we niet eens harder konden werken om de partijen onder de knie te krijgen. Uiteraard was Jaap als vakman zich uitstekend bewust van alle voetangels en klemmen, en kon door zijn schijnbaar losse stijl van optreden ons toch altijd goed voorbereiden op de uitvoeringen. Die concerten waren altijd een feest omdat Jaap vaak breed lachend dirigeerde en ons, het orkest en de solisten daardoor bijzonder meesleepte.

Tijdens de repetities voor het Kyrië van de Hohe Messe lukte het de tenoren maar niet om de juiste ritmische accenten in de tekst te plaatsen en Jaap zei op een gegeven moment: ‘zing nu eens niet Kyrie eleison, maar “Ellen houdt van ròde kool” vanaf maat 30.’ (Ellen was één van de sopranen, die volgens mij nimmer haar voorkeur voor deze koolsoort had uitgesproken, maar sindsdien met deze vermeende appreciatie regelmatig geconfronteerd werd.) En, zoals vaak bij dit soort invallen van Jaap werkte het meteen en zong elke partij de alternatieve tekst bij de inzet van deze meeslepende fuga. Het heeft overigens wel tot gevolg gehad dat ik sindsdien altijd deze tekst in mijn hoofd hoor als ik naar het begin van de Hohe Messe luister.

Een keer trad Aafje Heynis bij ons op. Dat was natuurlijk een bijzondere gelegenheid. Jaap vertelde ons dat zij met hem op de Prinsengracht had gerepeteerd en roemde haar fantastische stem. Maar, liet hij er verheerlijkt terugdenkend op volgen: “de kwaliteit van haar meegebrachte kaas-souflés was minstens zo bijzonder!” In de Johannes Passion zingt de evangelist, nadat Petrus zich drie maal verloochend heeft, “…und als bald krähete der Hahn” . Tijdens de zoveelste keer dat Jaap in een bepaald jaar de continuo-partij speelde kon hij zich niet langer inhouden en speelde de eerste maten van “La Poule” (de kip) van Rameau als slot van deze zin.

Kortom: een vakman met een Bourgondische levenswijze. Met veel humor en overtuigingskracht liet hij de muziek van met name Bach op onvergetelijke wijze weerklinken. Pas bij zijn begrafenis drie jaar geleden begreep ik uit de toespraken dat Jaap Spigt samen met de blokfluitbespeler Kees Otten, Gustav Leonhardt en Frans Brüggen één van de eerste musici in Nederland was die al in het begin van de jaren vijftig bezig was met een nieuwe uitvoeringspraktijk van barokmuziek. Hij werd echter in bepaalde muzikale kringen niet als één van de pioniers op dit gebied erkend vanwege een (vermeend?) oorlogsverleden van zijn vader.

Ruud Ero


Peter Schat 1935 -2003

De 3 februari 2003 op 67-jarige leeftijd overleden componist Peter Schat zal worden geboekstaafd als een van de kleurrijkste en meestbesproken persoonlijkheden in het Nederlandse muziekleven van de twintigste eeuw. Over de onweerstaanbare roeping van de muziek en een revolutionair die vaak alleen op de barricaden stond.

Als kleine jongen dreef Peter Schat menig pianojuf (m/v) tot diepe wanhoop. Met smaak kon hij vertellen hoe de zoveelste goed bedoelende pedagoog de les kwam opzeggen, net toen hij met een brandend papieren vliegtuigje de gordijnen in lichterlaaie aan het zetten was. Toch was de roep van de muziek luid en onweerstaanbaar. Ik zat in de derde klas, ik was acht, toen we op een formulier moesten invullen wat we wilden worden. Ik schreef: componist. Ik durfde het nauwelijks in te leveren,'' zei hij in 1966 tegen Bibeb. Gisteren, op 67-jarige leeftijd, is componist Peter Schat thuis in Amsterdam na een kort ziekbed overleden, als gevolg van een laat gediagnosticeerde en niet meer te bestrijden prostaatkanker. Peter Schat zal worden geboekstaafd als een van de kleurrijkste en meestbesproken persoonlijkheden in het Nederlandse muziekleven van de twintigste eeuw, en als de maker van een aantal muziekstukken die van grote betekenis zijn geweest op de ontwikkeling van de Nederlandse toonkunst.

Schat groeide op in een streng protestants gezin in Utrecht. Vader Schat, meesterbakker (door zijn kinderen met "meester" aangesproken), bracht zijn liefde voor muziek op zijn vier kinderen over door 's avonds Mozart en Chopin te spelen. Van doorslaggevende betekenis voor zijn wereldbeeld noemde Schat zijn ervaringen, als kind, in de Tweede Wereldoorlog. De politieke waakzaamheid zou hem nooit meer verlaten. In de jaren vijftig brak Peter Schat uit het verstikkende protestantse milieu, ontdekte in Rome, staand voor Michelangelo's Pieta in de Sint Pieter, dat hij op mannen viel, en kreeg eerst aan het Utrechts conservatorium en later in Den Haag bij Kees van Baaren een officiele opleiding tot componist. Bij Jaap Callenbach studeerde hij piano, om voeling met de muziekpraktijk te houden. De klas van Van Baaren' werd een instituut, want behalve Schat kregen ook Jan van Vlijmen, Misha Mengelberg, Louis Andriessen en Reinbert de Leeuw (en ook Joop Stokkermans) er les; namen die het gezicht van de Nederlandse muziek vanaf de late jaren zestig blijvend hebben bepaald. Peter Schat gold in die tijd in Nederland als het grootste talent van zijn generatie. Als enige van zijn klas ging hij naar het buitenland, waar hij les kreeg van Matyas Seiber (Londen) en Pierre Boulez (Bazel). Met name de lessen van Boulez omschreef hij als belangrijk. Boulez was de geniale muzikant die op dat moment leiding gaf aan de toonwereld. Die confrontatie wilde ik aangaan.'' Maar de streng op structuur gerichte aanpak van Boulez ging hem op den duur beknellen. "Wat me vooral ging tegenstaan, was dat hij de chromatische toonladder als een voorraad tonen zag, die je met reeksen in productie moest brengen. Je was bezig een hoop grint te organiseren. Alle steentjes waren keurig neergelegd, maar het bleef een hoop grint."

Eenmaal weer thuis verhuisde hij naar Amsterdam en schreef hij zijn eerste opera 'Labyrint, een hip multimediaal braniestuk', dat in het Holland Festival van 1966 in premiere ging. Moeder Schat was er speciaal vanuit Californie, waar het gezin, minus Peter, naar toe was geemigreerd, voor overgekomen. De opvoering deed veel stof opwaaien, net als de première van On escalation in Carre (1968), toen tweehonderd politieagenten het theatergebied afzetten, uit angst voor een Nederlandse imitatie van 'les evenements' in Parijs. Het waren de jaren van de rookbommen, van Provo (de beweging resideerde in de kelder van Schats woning), van anti-establishment, van oud tegen jong.

De lange neus naar de cultuur van de volgevreten regenten' kreeg in 1969 een hoogtepunt met eerst de premiere van Reconstructie, een collectieve opera van de Van Baarenklas (plus Harry Mulisch en Hugo Claus), en tevens een anti-imperialistisch eerbetoon aan de Boliviaanse vrijheidsstrijder Che Guevara, en later dat jaar met de roemruchte Notenkrakersactie. Hierbij verstoorden Schat en de zijnen met knijpkikkertjes een concert van Haitink en het Concertgebouw-orkest. Bij de knokpartijen die hierna ontstonden, ontsnapte Schat, naar eigen zeggen, op een haar na aan de dood.

De muziek die Schat in die periode componeerde, zou hij later kenschetsen als wreed. Die tijd had ook iets wreeds. "Vietnam! Daar pleegden de democratische krachten zelf genocide. Dat was radeloosmakend."

De wreedheid zou in zijn latere werk uiteindelijk totaal verdwijnen. Ze zou eerst plaatsmaken voor een sfeer van rouw (om Marina Schepers, de tragisch verongelukte moeder van zijn zoon Bas, in de Eerste symfonie maar ook om Salvador Allende, de vermoorde Chileense politicus, in zijn meesterstuk Canto general , en tenslotte voor tederheid, gehuld in traditionelere ritmes, melodieen en harmonieen. "Het moeilijkste in de muziek is tederheid", zei hij in 1998. Van een revolutionair was Schat gaandeweg veranderd in een evolutionair.

In de tussenliggende jaren had hij met Thema (1970) een begin gemaakt met de keiharde en meedogenloze motorische stijl van de Haagse School (later door Louis Andriessen internationaal verspreid), verzoende hij zich met het Concertgebouworkest en nam hij in niet mis te verstane bewoordingen afstand van het muzikale modernisme. De consequenties hiervan zou hij tot in lengte van dagen in gesprekken en geschriften als mantra's blijven herhalen: "Mijn oude kameraden noemen me een renegaat; ik hoor er niet meer bij; ik krijg geen kansen meer; veel moderne muziek klinkt zo rot als de Bijlmermeer eruitziet; naar mij wordt niet meer geluisterd; het is allemaal de angst voor de liefde en de emotie". En overigens was hij van mening dat de Stopera - "met voorsprong het allerlelijkste gebouw op aarde" - moest worden afgebroken. Maar toen de Brusselse Munt na een directeurswisseling (Mortier ging, Foccroulle kwam) onverwachts een productie van zijn vijfde opera Symposion van de agenda voerde, moest hij noodgedwongen toch zijn toevlucht tot Het Muziektheater zoeken.

Veelbesproken, zij het door weinigen begrepen, is ook Schats vinding van de Toonklok. Met een kenmerkend gevoel voor theater, symboliek en humor publiceerde hij zijn ontdekking met Kerstmis 1982 in NRC Handelsblad. Zijn enthousiasme voor de ontdekking van deze ingenieuze en handige systematische indeling van de chromatische toonladder nam aanvankelijk sterk evangeliserende trekken aan. Maar toen de internationale componistengemeenschap hem niet luidkeels bejubelde als de twintigste-eeuwse Rameau sloeg hij vanaf de jaren negentig bescheidener tonen aan. Hij was inmiddels steeds meer een eenzaat geworden in het Nederlandse muziekleven. Een buitenstaander, met slechts nog een handvol fervente verdedigers, zoals dirigent Hans Vonk, die Schats werk tot in de Verenigde Staten bleef uitvoeren. In de Herenclub zat Schat toen allang niet meer. Harry Mulisch was van vriend, met wie hij ooit Fidel castro en Albert Speer opzocht, zelfs verworden tot favoriete pispaal. Met Reinbert de Leeuw kon hij nauwelijks nog door een deur. Louis Andriessen vond hij een bulldozer. En Jan van Vlijmen was nog steeds kwaad omdat Schat de muziek Matthijs Vermeulen in de krant had gefileerd. Nee, never a dull moment met Peter Schat.

Reacties

Dirigent Hans Vonk: Ik ben erg van streek. Verschrikkelijk. Het is voor mij een grote klap, want ik bewonder zijn werk enorm. Ik heb hem vanaf 1977, met zijn opera Houdini, op de voet gevolgd en heb dierbare herinneringen aan al die opera's en premières die ik van heb gedirigeerd. Peter was een bijzondere, hartstochtelijke man, met een enorm gevoel voor theater. Hij was in Nederland mijn lievelingscomponist.Ik vind hem een groot componist en ook dat zijn werk Holland ver ontstijgt. Hij behoorde niet tot een kliek, een club of een mode, maar ging volkomen zijn eigen weg. In deze tijd is dat een verademing. Zijn werk is wel lastig uit te voeren, vanwege al die buitennissige bezettingen. Ik heb hem overal op de wereld gespeeld, van New York tot Keulen, en altijd was de publieke ontvangst enthousiast. Het grootste compliment dat ik Peter kan geven was dat ik in St. Louis De hemel heb uitgevoerd, wat ik denk ik zijn beste stuk vind, en dat de musici daar toen zo over waren te spreken dat er een compositie-opdracht voor Peter uitrolde. Mooier kan het niet voor een componist.

Zie verder www.muziekgroep.nl/componisten/


Knut Nystedt

Knut Nystedt (1915), born in Oslo, studied composition with Bjarne Brustad and Aaron Copland, organ with Arild Sandvold and Ernest White, and conducting with Øivin Fjeldstad. He was organist at Torshov Church in Oslo 1946-1982 and professor of choral conducting at the University of Oslo 1964-1985. He was conductor of, The Norwegian Soloists` Choir from 1950-90, and has toured with them not only the Scandinavian countries, but also Germany, France and three times the United States (twice under the management of Colombia Artists in New York). A visit to Japan, Korea, Hong Kong and Thailand in 1978 was followed by concerts in China (1982) and Israel (1984 and 1988).

As a composer, Knut Nystedt has held a central position throughout a long period of rapidly shifting musical currents. With unfailing artistry he has shown a remarkable ability to adapt essential new discoveries to his own, highly personal, style, which is rich in colors and, at the same time, delicately nuanced.

While most of his works, both orchestral and choral, have been premiered in Norway by the Oslo Philharmonic Orchestra or by his own choir, he is one of the few Norwegian composers of today whose works are performed world-wide. They have also earned him both national and international honors. In 1966 the King of Norway made him knight of the Order of St. Olav in recognition of his contribution of Norwegian music. In 1975 the Augsburg College in Minneapolis awarded him their Distinguished Service Citation for his innovative influence on choral composition in the United States. In 1980 the Norwegian Arts Counsil gave him their Music Prize. And in 1984, his choral work De Profundis was elected "Best work of the year" - all categories - by the Society of Norwegian Composeres.

Professor Honorario, Mendoza University Argentina 1991.

(bron: Internet)

Vocaal Ensemble Intermezzo